| : Determineersleutel voor de Dermaptera (Oorwormen) van België en West Europa |
door Victor F. Naveau.
Lange Beeldekensstraat 272, BE - 2060 Antwerpen. Tel. 03 236 07 65. e-mail = victor.naveau@kave.be
Summary
This article gives a key to identify most of the Dermaptera we can find in West Europe.
1a(0). Antenne met 16 tot 30 leedjes 2
1b(0). Antenne met 10 tot 15 leedjes 6
2a(1a). Dekschilden rudimentair of afwezig. Vleugels afwezig
Tweede tarslid enkelvoudig
Tangen van het mannetje asymmetrisch 3
2b(1a). Dekschilden goed gevormd en vleugels zichtbaar
Tweede tarslid met een verlenging tot over het derde lid
Tangen van het mannetje symmetrisch 5
3a(2a). Kop verbreed achter de ogen
Dekschilden afwezig
Dijen eenkleurig of soms donkerder aan de gewrichten
Anisolabis maritima (BONELLI, 1832)
3b(2a). Kop niet verbreed achter de ogen
Een kleine aanzet van de dekschilden kan aanwezig zijn
Dijen al of niet bruin geringd in het midden 4
4a(3b). Dekschilden rudimentair op de zijboorden van het mesonotum
Dijen eenkleurig of soms donkerder aan de geledingen Euborellia moesta (GENÉ, 1893)
4b(3b). Dekschilden afwezig
Dijen bruin geringd in het midden en aan de geledingen
Euborellia annulipes (LUCAS, 1847)
5a(2b). Eerste tarslid even lang of korter dan het derde tarslid
Dijen van het derde paar poten even lang als die van het eerste paar
Nala lividipes (DUFOUR, 1820)
5b(2b). Eerste tarslid langer dan het derde
Dijen van het derde paar poten langer dan die van het eerste paar
Labidura riparia (PALLAS, 1773)
6a(1b). Tweede tarslid enkelvoudig 7
6b(1b). Tweede tarslid verlengd
met een tweelobbig aanhangsel dat onder het derde tarslid doorloopt 8
7a(6a). Vleugel komt niet onder de dekschilden uit Marava arachidis (YERSIN, 1860)
7b(6a). Vleugel komt onder de dekschilden uit Labia minor (LINNAEUS, 1758)
8a(6b). Achterlijf breed en plomp
Tussenborst verbreed, meestal dwars en schuin 9
8b(6b). Achterlijf eerder smal en licht verbreed
Tussenborst vierkant of langer dan breed 15
9a(8a). Dekschilden goed ontwikkeld of afgekort
Ze raken elkaar in het midden over minstens 1 millimeter 10
9b(8a). Dekschilden weinig ontwikkeld
Ze bedekken een scutellum van verschillende grootte 13
10a(9a). Dekschilden goed ontwikkeld met een bleke vlek in het midden
Vleugels goed ontwikkeld Anechura bipunctata (FABRICIUS, 1781)
10b(9a). Dekschilden afgeknot en eenkleurig
Vleugels afwezig 11
11a(10b).Tangen van het mannetje lang en sterk gegolfd
met een paar basale tanden op de bovenboord
en een paar middentanden op de binnenboord
Pygidium verborgen of slechts weinig zichtbaar
Pseudochelidura sinuata (LAFRESNAYE, 1828)
11b(10b). Tangen van het mannetje kort en weinig gegolfd
met slechts een paar middentanden op de binnenboord
Pygidium goed zichtbaar bij het mannetje 12
12a(11b). De achterboord van het laatste achterlijfssegment van het mannetje
vertoont een dikke verticale rand die tot tussen de tanden kan uitsteken
tot een klein driehoekig plaatje
Pygidium niet of zeer slecht zichtbaar Pseudochelidura minor STEINMANN, 1979
12b(11b). De achterboord van het laatste achterlijfssegment van het mannetje
eenvoudig en recht met een weinig uitgesproken verdikte band
Pygidium goed zichtbaar bij het mannetje
en rechthoekig van vorm Pseudochelidura montuosa STEINMANN, 1981
13a(9b). Achterlijf stevig gebouwd met de grootste breedte achteraan
Tamelijk grote insecten 14
13b(9b). Achterlijf niet stevig gebouwd met de grootste breedte in het midden
Gemiddeld groot insect.(10 tot 12 mm) Chelidurella acanthopygia GENÉ, 1832
14a(13a). Tangen van het mannetje met lange takken,
driemaal de lengte van de voorborst,
lang en dun, licht gebogen Chelidura aptera (MEGERLÉ, 1825)
14b(13a). Tangen van het mannetje kort,
nauwelijks tweemaal de lengte van de voorborst,
breed en hoekig gebogen Chelidura pyrenaica (BONELLI, 1832)
15a(8b). Tangen van het mannetje met uiteenstaande takken aan de basis,
met een goed zichtbare middentand op de binnenrand van elke tak
Apterygida albipennis (MEGERLÉ, 1825)
15b(8b). Tangen van het mannetje met platte takken
en naast elkaar liggend aan de basis 16
16a(15b). De vleugels komen onder de dekschilden uit 17
16b(15b). De vleugels komen niet onder de dekschilden uit 18
17a(16a). Dekschilden eenkleurig
De tangen van het mannetje aan de basis sterk getand en min of meer lang
Forficula auricularia LINNAEUS, 1758
17b(16a). Een bleke middenvlek op elk dekschild
De tangen van het mannetje aan de basis weinig getand en zeer kort
Forficula smyrnensis SERVILLE, 1839
18a(16b). Heel het insect kaal en glad
Basis van de tangen van het mannetje gelijk aan een derde van de totale lengte
Deze basis eindigt niet op een tand of een verdikking Forficula decipiens GENÉ, 1832
18b(16b). Heel het insect zacht behaard
Basis van de tangen van het mannetje langer dan een derde van de totale lengte 19
19a(18b). Dekschilden hoekig afgeknot aan het buitenuiteinde
Basis van de tangen van het mannetje gelijk aan de helft van de totale lengte,
regelmatig getand en eindigend op een schuimige verdikking
. Forficula lesnei FINOT, 1887
19b(18b). Dekschilden schuin afgeknot aan het buitenuiteinde
Basis van de tangen van het mannetje langer dan de helft van de totale lengte,
onregelmatig getand en eindigend op een tand Forficula pubescens GENÉ, 1839
Literatuur
ALBOUY, V. & CAUSSANEL, C., 1990. - Dermaptéres ou Perce-Oreilles. Faune de France nr75.
FFSSN. FR - Paris. pp.245.
BRUES, C.T. & MELANDER, A.L., 1945 - Classification of Insects.
Harvard Univ. GB - Cambridge.
CHOPARD, L., 1922. - Orthoptères et Dermaptères. Faune de France nr3. Lechevalier.
FR - Paris. pp.212.
FINOT, A., 1883.- Les Orthoptères de la France. E.Deyrolle. FR - Paris.
FINOT, A., 1987. - Insectes Orthoptères. Thysanoures et Orthoptéres proprement dits.
Faune de France. Deyrolle. FR - Paris. pp.322.
KLOET, G.S. & HINCKS, W.D., 1964. - A Check List of British Insects. Part 1 : Small Orders
and Hemiptera. Vol.XI, Part I. : 21. Roy.Entom.Soc. GB - London. pp.119.
PERRIER, R., 1923. - Myriapodes et Insectes Inférieures. La Faune de la France Illustrés III.
Delagrave. FR - Paris. pp.153.